HIV/Aids
|
Geef een kans |
Pediatric Aids (voor medici)
HIV/Aids bij zwangeren (voor medici)
Er bestaat een evident verschil tussen human immunodeficiency virus (HIV) en acquired immunodeficiency syndrome (AIDS) bij kinderen en volwassenen:
HIV-1 en HIV-2 behoren tot de Retroviridae. Elk viruspartikel bevat twee kopieën van het genoom.
Na infectie met het HIV virus zal het virale RNA de gastheerlymfocyten met een CD4-receptor binnendringen. In deze cellen wordt het virale RNA met behulp van het virusenzym reverse transcriptase omgezet in een DNA-kopie, die wordt opgenomen in het genoom van de gastheercel. Onder invloed van een nog onbekende factor worden de gastheercel en tevens de virusgenen geactiveerd. Hierdoor worden meerdere virusdeeltjes geproduceerd, die nieuwe gastheercellen infecteren en afbreken. De viremie begint 4-11 dagen na infectie van de mucosa. De virusreplicatie wordt afgeremd door een virus-specifieke afweerrespons (zowel cellulair als humoraal), zodat na de initiële stijging van de viral load een reductie optreedt.
De klinische verschijnselen van de primaire infectie zijn geassocieerd met deze immuunrespons tegen de snelle verspreiding van HIV door het lichaam; de symptomen verdwijnen als de viral load afneemt.
Antistofvorming tegen HIV-eiwitten (seroconversie) treedt in het algemeen op binnen 1-8 weken na de infectie. De periode waarbij wel virus aanwezig is, maar nog geen specifieke antistoffen, wordt de window periode genoemd.
Volgens schattingen van de World Health Organization (WHO) waren in 2003 zo'n 2,7 miljoen kinderen geïnfecteerd met HIV. Hiervan is meer dan 90% afkomstg uit Afrika. Elk jaar komen hier minstens 500.000 kinderen bij. Elke 50 seconden overlijdt een kind aan aids.
Het merendeel van de kinderen is besmet met HIV-1, een klein deel met zowel HIV-1 als HIV-2. Solitaire, minder fulminante, infecties met HIV-2 worden gezien in West Afrika.
Wereldwijd is 60% van de HIV-geïnfecteerden van het vrouwelijk geslacht, waarvan het merendeel is besmet door onveilige heteroseksuele contacten.
Hoewel in geïndustrialiseerde landen het aantal nieuwe gevallen van kinderen met HIV afneemt, geldt het tegenovergestelde voor ontwikkelingslanden. Verticale transmissie is de nummer 1 oorzaak van pediatric aids. Het ontbreken van antiretrovirale middelen ter preventie van perinatale transmissie en het gebrek aan financiële middelen om flesvoeding te geven in ontwikkelingslanden verklaren dan ook de wereldwijde verschillen.
Opvallend is dat in geïndustrialiseerde landen het aantal adolescenten dat geïnfecteerd is met het virus toeneemt. Oorzaken hiervan zijn het succes van antiretrovirale therapie van kinderen die verticaal zijn besmet, maar helaas ook primo-infecties van adolescenten. Deze laatste groep is voornamelijk afkomstig uit lagere sociaal-economische klassen.
De klinische presentatie van een HIV-infectie bij een kind is zeer aspecifiek en afhankelijk van de leeftijd van kind.
Bij neonaten en zuigelingen die verticaal zijn besmet, zijn twee patronen te onderscheiden. Het eerste patroon is die van de 'rapid progressors', waartoe 15-20% behoort, leidt tot ernstige immuundeficiëntie in het eerste levensjaar.
Bij de overige 80-85% van de kinderen ontwikkelt HIV zich in een beeld zoals gezien wordt bij volwassenen.
Deze kinderen presenteren zich met orale candidiasis, failure to thrive en ontwikkelingsachterstand.
Na het eerste levensjaar zijn anemie, ernstige bacteriële infecties, hepatosplenomegalie en gegeneraliseerde lymfadenopathie de meest voorkomende klachten.
De meest voorkomende opportunistische infecties zijn achtereenvolgens: ernstige bacteri‘le infecties, herpes zoster infecties, Mycobacterium Avium Complex infecties, Pneumocystis Carinii Pneumonie (PCP) en oesophageale en tracheobronchiale candidiasis.
De symptomatologie van HIV-infecties bij kinderen in ontwikkelingslanden komt overeen met die in geïndustrialiseerde landen. Echter, de ernst van het beeld bij presentatie loopt uiteen. In ontwikkelingslanden komen kinderen vaak in een gevaarlijk laat stadium naar het ziekenhuis. Derhalve is de kliniek van deze kinderen indrukwekkend; niet zelden bevinden zij zich bij presentatie in het laatste stadium van aids.
Bij volwassenen en kinderen ouder dan 18 maanden, wordt een enzyme-linked immunosorent assay (ELISA) test uitgevoerd om antistoffen tegen HIV aan te tonen. Een positieve uitkomst wordt vervolgens bevestigd door Western blot op HIV-specifieke IgG antilichamen.
Omdat kinderen van HIV-positieve moeders maternaal HIV-IgG passief krijgen overgedragen, kan het resultaat van een positieve antilichaamtest niet worden gezien als bevestiging van HIV-besmetting.
Door gebrek aan andere HIV-testen in ontwikkelingslanden, kan pas op de leeftijd van 18 maanden met zekerheid worden gezegd of een kind besmet is.
HIV-DNA polymerase chain reaction (PCR) is de voorkeursmethode in de diagnostiek van HIV-infectie bij kinderen. PCR toont de viral load aan. De sensitiviteit van de test neemt toe met de leeftijd met een sensitiviteit van 96% op de leeftijd van 28 dagen. De diagnose HIV wordt gesteld op basis van twee positieve testen van twee onafhankelijke bloedafnamen, onafhankelijk van de leeftijd.
Het huidige beleid in Nederland voert deze test uit in de eerste 48 uur post partum, op de leeftijd van 6 weken en drie maanden. Zo kan als snel een risico-inschatting van de HIV-transmissie worden gemaakt. Echter, ook in deze setting wordt een negatieve ELISA op dee leeftijd van 18 maanden als definitief diagnostisch middel gebruikt. Zie preventie van mother-to-child-transmission.
De opportunistische infecties worden gediagnostiseerd door antistofbepalingen, kweken van onder andere biopten en longlavage (bijv. bij infecties met Penumocystis carinii, Candida, cytomegalovirus en herpes-simplex-virus).
Kennis van de immuunstatus, uitgedrukt in de CD4+ T-cell count en percentage en plasma HIV RNA, is essentieel in de zorg voor kinderen met HIV. Direct na het stellen van de diagnose worden deze bepalingen dan ook verricht om een uitgangssituatie vast te leggen.
De benadering voor behandeling van patiënten met HIV bestaat uit inhibitie van virusreplicatie middels antiretrovirale medicatie, profylaxe en behandeling van opportunistische infecties en psychosociale begeleiding.
De pathogenese van HIV en de onderliggende virologische en immunologische principes ten aanzien van antiretrovirale therapie voor zijn voor alle hiv-positieve pati‘nten gelijk. Echter, bij de behandeling van kinderen met HIV zijn de volgende punten van groot belang:
Doel van antiretrovirale medicatie is de viral load ondetecteerbaar te maken, gewoonlijk < 50 kopieën/ml. Meestal wordt deze situatie na 16-20 weken bereikt. De duur van de respons is bepalend voor de levensverwachting van de patiënt.
Antiretrovirale middelen hebben twee sleutelenzymen, nodig voor replicatie van het virus, als target: protease en reverse transcriptase.
Voorbeelden van protease inhibitors zin Indinavir, Nelfinavir en Ritonavir.
Reverse transcriptase remmers worden onderverdeeld in nucleoside reverse transcriptase inhibitors (NRTI's) en non-nucleoside reverse transcriptase inhibitors (NNRTI's). Onder eerstgenoemde vallen onder andere Lamivudine en en Abacavir. Nevirapine en Afevirenz behoren tot de NNRTI's.
Bij de keuze van antiretrovirale medicatie moet rekening gehouden worden met mogelijke toekomstige behandelingsbeperkingen, waaronder (de ontwikkeling van) antiretrovirale resistentie.
Het moment waarop therapie wordt gestart is onder andere afhankelijk van de ernst van het ziektebeeld en de mate van progressie, uitgedrukt in de CD4+ cell count en plasma HIV RNA. Ook spelen potentiële korte- en lange termijneffecten een rol, evenals het effect van de medicatie op latere therapeutische opties. Ook co-morbiditeit als tuberculose heeft invloed op de medicatiekeuze; zo kan Rifampicine
de plasmaspiegel van Nevirapine significant verlagen. Vanzelfsprekend is therapietrouw essentieel voor een goed resultaat.
Omdat HIV bij kinderen progressiever verloopt dan bij volwassenen en laboratoriumwaarden minder voorspelbaar zijn, gelden agressievere behandelingsmethoden.
In principe geldt dat combinatietherapie wordt gegeven. Het gebruik van minimaal drie middelen tegelijkertijd heeft een evidente remmende werking op progressie van het ziektebeeld. Daarnaast resulteert het in een betere virologische en immunologische respons en vertraagt het de ontwikkeling van virusmutaties.
Uitzondering is monotherapie met Zidovudine (ZDV), beschikbaar in westerse landen, als middel ter preventie van perinatale transmissie van HIV gedurende de eerste 6 levensweken.
De huidige therapeutische richtlijnen zijn te vinden op de AIDSinfo website: http://aidsinfo.nih.gov.
HIV veroorzaakt een chronische infectie die leidt tot dramatische suppressie van het immuunsysteem. Met een dalend aantal CD4+ lymfocyten ontstaan talrijke opportunistische infecties en neoplasmata.
Behandeling van opportunistische infecties zijn afhankelijk van de verwekker.
De meest voorkomende opportunistische infectie is Pneumocystis Carinii Pneumonie (PCP). Profylaxe in de vorm van Trimethroprim-Sulfamethoxazole (150 mg/m2 per dag in 2 doses 3 dagen per week) is geïndiceerd voor alle kinderen van HIV-positieve moeders vanaf de leeftijd van 4-6 weken, onafhankelijk van de CD4+ cell count of HIV-infectie status. Ook kinderen met een CD4+ lymfocytenpercentage minder dan 15% en kinderen die eerder PCP hebben doorgemaakt komen in aanmerking voor profylaxe.
Andere opportunistische infecties als tuberculose, mycobacterium avium en Varicella Zoster hebben hun eigen (profylactische) behandelingen.
Het risico van progressie van het ziektebeeld is omgekeerd evenredig met de leeftijd van het kind.
De prognose van het pediatric aids is sterk afhankelijk van de beschikbare therapeutische interventies. In ontwikkelingslanden overlijden kinderen met hiv en aids op zeer jonge leeftijd. De 'rapid progressors' overlijden veelal voor het einde van het eerste levensjaar.
In westerse landen is de prognose sterk verbeterd sinds de komst van antiretrovirale middelen en het agressief behandelen van opportunistische infecties. Het percentage verticaal besmette kinderen ouder dan 9 jaar, is tussen 1989 en 1998 toegenomen van 5 tot 25%. Dit aantal zal niet verder toenemen gezien de afname van de incidentie van verticale transmissie als gevolg van het succes van perinatale HAART (highly active antiretrovirale therapie).
Toegepaste interventies ter preventie van MTCT zijn afhankelijk van de beschikbaarheid ervan. Interventies zijn mogelijk durante graviditeit, in de peripartum periode en postpartum.
Voor de preventie van MTCT in ontwikkelingslanden gelden bij gebrek aan middelen andere richtlijnen.